Wie de watervoetafdruk van datacenters wil beoordelen, moet eerst weten hoe groot de sector feitelijk is en hoeveel elektriciteit hij gebruikt. Dat is belangrijk omdat vrijwel alle waterberekeningen uiteindelijk samenhangen met twee grootheden: het elektrische vermogen van een datacenter en het aantal uren dat die infrastructuur werkelijk draait.
Daarbij stuiten we meteen op een eerste methodologisch probleem: Europa kent nog geen volledige openbare jaarreeks waarin voor ieder jaar het aantal datacenters, hun IT-capaciteit en hun werkelijke elektriciteitsverbruik gezamenlijk worden geregistreerd. Zelfs de Europese Commissie is pas sinds de Energy Efficiency Directive van 2023 bezig een geharmoniseerde Europese gegevensbasis op te bouwen voor datacenters boven 500 kW.
Dat betekent dat we in dit rapport niet kunstmatig voor ieder jaar een exact getal gaan invullen. We gebruiken officiële meetpunten en ramingen, en markeren tussenliggende jaren als schatting wanneer dat nodig is.
2.1 Elektriciteitsverbruik: de harde Europese meetpunten
Een studie van het Joint Research Centre van de Europese Commissie schatte het elektriciteitsverbruik van EU-datacenters in 2022 op 45–65 TWh. Dat kwam overeen met ongeveer 1,8–2,6% van het totale elektriciteitsgebruik van de EU. �
publications.jrc.ec.europa.eu
De bandbreedte is breed. Dat is geen detail, maar illustreert hoe onvolledig de sector tot voor kort werd gemeten.
De Europese Commissie gebruikt inmiddels als actuele orde van grootte dat datacenters ongeveer 2,5% van het elektriciteitsverbruik van de EU vertegenwoordigen. In juni 2026 bevestigde de Commissie opnieuw dat aandeel en waarschuwde zij dat de vraag aanzienlijk zal toenemen. �
Energy +1
Een eerdere Europese analyse kwam voor 2018 op 76,8 TWh en projecteerde op basis van het toenmalige groeipad ongeveer 98,5 TWh in 2030.
Die raming is inmiddels vooral historisch interessant. AI heeft de groeiverwachtingen sterk veranderd. De wereldwijde vraag van datacenters groeit volgens het IEA momenteel veel sneller dan men enkele jaren geleden aannam: in 2024 gebruikten datacenters wereldwijd ongeveer 415 TWh, circa 1,5% van de mondiale elektriciteitsconsumptie, na een gemiddelde groei van ongeveer 12% per jaar gedurende de voorafgaande vijf jaar.
2.2 Wat kunnen we voor 2019–2026 daadwerkelijk opschrijven?
Voorlopig ziet onze controleerbare Europese tijdlijn er daarom zo uit:
Jaar
Datacenter-elektriciteit EU
Status
2018
76,8 TWh
Europese Commissie, historische raming
2019
nog vast te stellen
geen geharmoniseerde EU-jaarmeting
2020
nog vast te stellen
geen geharmoniseerde EU-jaarmeting
2021
nog vast te stellen
geen geharmoniseerde EU-jaarmeting
2022
45–65 TWh
JRC-schatting
2023
nog vast te stellen
overgang naar verplichte rapportage
2024
circa 2,5% EU-elektriciteitsvraag
orde van grootte Commissie
2025
nog vast te stellen
EU-rapportagebasis in opbouw
2026
circa 2,5% EU-elektriciteitsvraag als actuele orde van grootte
Europese Commissie
Dat de raming voor 2018 hoger ligt dan de JRC-bandbreedte voor 2022 betekent niet dat het daadwerkelijke elektriciteitsverbruik tussen beide jaren noodzakelijk is gedaald. De cijfers komen uit verschillende onderzoeken, met verschillende afbakeningen en methoden. Ze mogen daarom niet als één ononderbroken statistische reeks worden behandeld.
2.3 Hoeveel datacenters zijn er?
Ook hier ontbreekt verrassend genoeg een volledige officiële Europese inventaris.
Een recente Europese marktinventarisatie komt voor Europa — EU-27 plus Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Zwitserland — uit op ongeveer 2.000 tot 3.000 datacenters. Duitsland zou daarvan ongeveer 450 locaties tellen, het Verenigd Koninkrijk circa 400, Frankrijk circa 250 en Nederland eveneens circa 250. Samen vertegenwoordigen die vier landen meer dan de helft van het Europese bestand.
Deze aantallen moeten echter voorzichtig worden gebruikt.
Een datacenter is geen gestandaardiseerde eenheid.
Een klein enterprise-datacenter van enkele honderden kilowatt en een hyperscale campus van honderden megawatt tellen statistisch allebei als één datacenter, terwijl hun elektriciteits- en waterbehoefte honderden of duizenden malen kunnen verschillen.
Voor ons onderzoek is daarom MW-capaciteit belangrijker dan het absolute aantal gebouwen.
2.4 De geografische concentratie
De Europese datacenterindustrie is sterk geconcentreerd.
Historisch wordt de markt gedomineerd door de zogenaamde FLAP-D-markten:
Frankfurt – London – Amsterdam – Paris – Dublin.
Voor ons wateronderzoek is dat bijzonder relevant omdat deze locaties hydrologisch totaal verschillend zijn.
Frankfurt bevindt zich binnen het Rijnstroomgebied.
Amsterdam en Middenmeer liggen in een Nederlands watersysteem dat sterk gereguleerd wordt en afhankelijk is van oppervlaktewater, grondwater, IJsselmeerwater en drinkwatervoorziening.
Dublin heeft een heel ander regen- en stroomgebied.
Paris is gekoppeld aan het Seinebekken.
London aan het Thamesbekken.
Daarmee wordt meteen duidelijk waarom een Europees gemiddelde voor watergebruik misleidend kan zijn. Eén liter water gebruikt in een waterrijke regio heeft niet dezelfde hydrologische betekenis als één liter tijdens ernstige droogte in een reeds overbelast stroomgebied.
2.5 Vermogen is de sleutel tot de waterberekening
Voor een continu opererend datacenter kunnen we het verband tussen vermogen en elektriciteitsgebruik eenvoudig zichtbaar maken.
Een gemiddeld opgenomen vermogen van:
Continu vermogen
Elektriciteit per jaar
1 MW
8,76 GWh
10 MW
87,6 GWh
50 MW
438 GWh
100 MW
876 GWh
250 MW
2,19 TWh
500 MW
4,38 TWh
1.000 MW
8,76 TWh
Dit zijn rekenkundige maxima bij continu gemiddeld gebruik van het genoemde vermogen gedurende 8.760 uur per jaar; het zijn geen gemeten verbruiken van afzonderlijke campussen.
Maar deze tabel wordt straks belangrijk.
Stel dat een koelsysteem een WUE heeft van 0,3 liter per kWh.
Dan vertaalt 100 MW continu gemiddeld vermogen zich theoretisch in ongeveer:
876 miljoen kWh × 0,3 liter = 262,8 miljoen liter water per jaar.
Of:
262.800 m³.
Bij 500 MW wordt dat:
1,314 miljard liter = 1,314 miljoen m³ per jaar.
En bij een WUE van bijvoorbeeld 1,0 L/kWh zou dezelfde 500 MW:
4,38 miljard liter per jaar gebruiken.
Daar begint zichtbaar te worden waarom we straks absoluut de werkelijke WUE per technologie en locatie nodig hebben.
2.6 AI verandert de schaal
Dit rapport gaat bovendien niet uitsluitend over traditionele cloudopslag.
AI verandert de infrastructuur.
Het IEA verwacht dat het wereldwijde elektriciteitsverbruik van datacenters richting 2030 ongeveer verdubbelt. De huidige prognose ligt rond 945–950 TWh per jaar in 2030, tegenover ongeveer 415 TWh in 2024 en circa 485 TWh in 2025.
Dat heeft twee gevolgen voor ons wateronderzoek.
Ten eerste komt er simpelweg meer rekenvermogen.
Ten tweede neemt de vermogensdichtheid van AI-hardware sterk toe. Daardoor wordt warmteafvoer technisch belangrijker en groeit de belangstelling voor vloeistofkoeling.
Maar daarbij moeten we een cruciale fout vermijden:
liquid cooling betekent niet automatisch dat grote hoeveelheden zoetwater worden verbruikt.
Een gesloten vloeistofcircuit kan dezelfde vloeistof hergebruiken. Het uiteindelijke zoetwaterverbruik hangt vooral af van de manier waarop de warmte daarna aan de buitenlucht of een extern watersysteem wordt afgegeven.
Dat onderscheid onderzoeken we apart in het hoofdstuk over koeltechnologie.
2.7 Een eerste schaalvergelijking
Neem voorlopig alleen de JRC-bandbreedte van 45–65 TWh voor EU-datacenters in 2022. �
publications.jrc.ec.europa.eu
Als — puur als gevoeligheidsberekening — al die elektriciteitsconsumptie gekoppeld zou zijn aan gemiddeld:
WUE
45 TWh
65 TWh
0,1 L/kWh
4,5 miljard L
6,5 miljard L
0,3 L/kWh
13,5 miljard L
19,5 miljard L
0,5 L/kWh
22,5 miljard L
32,5 miljard L
1,0 L/kWh
45 miljard L
65 miljard L
2,0 L/kWh
90 miljard L
130 miljard L
Of bij een hypothetische WUE van 1 L/kWh:
45–65 miljard liter per jaar = 45–65 miljoen m³.
Dit is geen schatting van het werkelijke Europese watergebruik.
Het is uitsluitend een gevoeligheidstabel die laat zien hoe enorm het resultaat verandert wanneer de gemiddelde WUE verandert.
En precies daarom gaan we geen getal van internet overnemen en daarop onze conclusie baseren.
2.8 Wat we nu wél weten
Na hoofdstuk 2 kunnen we vier zaken stevig neerzetten.
De EU-datacentersector gebruikt elektriciteit op de schaal van tientallen terawattuur per jaar en vertegenwoordigt inmiddels ongeveer 2,5% van de totale Europese elektriciteitsvraag.
De sector is geografisch geconcentreerd, terwijl de waterbeschikbaarheid sterk regionaal verschilt.
Het aantal datacenters is voor onze vraag een zwakke indicator; MW, TWh, koeltechnologie en locatie zijn veel relevanter.
En bovenal: de gegevenskwaliteit is nog onvoldoende om uit algemene Europese cijfers rechtstreeks een betrouwbare zoetwatervoetafdruk af te leiden.
Dat is geen reden om het onderzoek te stoppen.
Het bepaalt juist hoe we het onderzoek moeten uitvoeren.
Next H3
HOE KOEL JE EEN DATACENTER — EN WAAR VERDWIJNT HET WATER?
Daarin wil ik exact uit elkaar trekken:
luchtkoeling → dry cooling → evaporative cooling → cooling towers → chilled water → direct-to-chip liquid cooling → immersion cooling.
En voor iedere techniek:
liter/kWh, wateronttrekking, werkelijk waterverlies door verdamping, terugvoer, invloed van buitentemperatuur en vooral: wat gebeurt er tijdens een hittegolf?
Dáárna kunnen we voor het eerst verantwoord beginnen rekenen aan de hoeveelheid zoetwater die Europese datacenters daadwerkelijk kunnen consumeren.
Met dank aan chatgpt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten