Windenergie: volg het geld
Wie wordt er werkelijk beter van de groene energietransitie — en wie betaalt uiteindelijk de rekening?
Onlangs zag ik een interview met een vrouw die zegt zeven jaar als beleidsadviseur voor een Australische Liberal Party-senator te hebben gewerkt, waarbij renewable energy tot haar dossier behoorde.
Zij onderzocht het systeem achter windenergie en komt tot een buitengewoon harde conclusie:
zij noemt het een scam.
Dat woord trok mijn aandacht.
Niet omdat ik iedere uitspraak uit een interview zonder meer voor waar aanneem. Integendeel. Ik wilde weten wat er gebeurt wanneer je haar verhaal naast officiële bronnen legt.
En wat ik aantrof, geeft wat mij betreft alle reden om veel kritischer te kijken naar het financiële systeem achter de groene energietransitie.
Een markt gecreëerd door wetgeving
Australië kent onder de Renewable Energy Target een wettelijk systeem van verhandelbare renewable-energy certificates.
Grote wind- en zonneparken kunnen voor geproduceerde hernieuwbare elektriciteit Large-scale Generation Certificates (LGC's) creëren. Elektriciteitsbedrijven en andere zogenoemde liable entities zijn vervolgens wettelijk verplicht een bepaald aantal van die certificaten te verwerven en in te leveren.
De Australische Clean Energy Regulator noemt die certificaten zelf een “financial incentive” voor renewable-energy generation.
Dat is een belangrijk gegeven.
De overheid stimuleert niet slechts een bestaande markt. Door regelgeving wordt mede een markt gecreëerd: producenten creëren de certificaten, terwijl wettelijke verplichtingen de vraag ernaar creëren.
De Regulator wijst bovendien op een voorspelbare inkomstenstroom uit zowel de verkoop van elektriciteit als LGC's, waardoor investeringen aantrekkelijker worden.
Dus begon ik mij een simpele vraag te stellen:
Follow the money.
Wie profiteert?
Windturbines kosten miljoenen. Windparken kosten honderden miljoenen of miljarden. Daarachter bevinden zich ontwikkelaars, energiebedrijven, grondeigenaren, banken, investeringsfondsen, certificatenhandelaren en andere commerciële partijen.
Dat is op zichzelf geen probleem. Ondernemingen mogen winst maken.
Maar zodra overheden via wetgeving, subsidies, certificaten, garanties of andere steunmechanismen de economische voorwaarden van die markt mede bepalen, wordt een andere vraag relevant:
hoeveel van die winstgevendheid bestaat dankzij publieke ondersteuning?
En vervolgens:
wie betaalt die ondersteuning?
De overheid beschikt immers niet over een mysterieuze eigen geldbron.
Publiek geld is uiteindelijk geld van burgers en ondernemingen.
De consument betaalt
Dat aspect vind ik misschien nog belangrijker.
Al decennialang worden consumenten aangemoedigd om voor groene energie te kiezen.
Groene stroom werd niet alleen als product verkocht, maar als morele keuze.
Kies voor wind.
Kies voor zon.
Kies voor het klimaat.
Kies voor een betere toekomst.
Miljoenen consumenten hebben dat gedaan in de overtuiging dat zij daarmee een milieuvriendelijker energiesysteem ondersteunen.
Maar ondertussen ontstond rondom diezelfde energietransitie een veel groter financieel systeem.
De consument betaalt zijn elektriciteitsrekening.
De belastingbetaler financiert publieke uitgaven en subsidies.
En via netwerktarieven worden de kosten van het elektriciteitsnet mede bij gebruikers neergelegd.
Dat zijn verschillende geldstromen — en juist daarom moeten we ze niet op één hoop gooien.
We moeten ze allemaal zichtbaar maken.
Want uiteindelijk komt het geld steeds ergens vandaan.
Europa en Nederland
Australië staat daarin niet alleen.
Ook Europa heeft met wetgeving en steunregelingen een enorme markt voor hernieuwbare energie gecreëerd.
En Nederland doet volop mee.
Via de SDE++ ondersteunt de Nederlandse overheid onder andere duurzame energieproductie.
Het mechanisme is veelzeggend: de regeling vergoedt, binnen haar voorwaarden, het verschil tussen de kostprijs van de technologie en de marktwaarde van de geproduceerde energie — de zogenaamde onrendabele top.
Bij hogere marktinkomsten daalt de bijdrage. Bij lagere opbrengsten kan de subsidie stijgen, tot de daarvoor geldende ondergrens.
Sta daar eens bij stil.
Wanneer een investering zonder ondersteuning onvoldoende rendabel is, helpt publiek beleid het verschil te overbruggen.
Vervolgens noemen we de geproduceerde energie goedkoop.
Maar wat bedoelen we dan precies met goedkoop?
Wat kost windenergie werkelijk?
De prijs van elektriciteit bij de turbine is niet hetzelfde als de totale prijs van het energiesysteem.
Een eerlijk kostenplaatje zou wat mij betreft veel breder moeten zijn.
Hoeveel subsidie en andere publieke ondersteuning is verstrekt?
Wat kosten de noodzakelijke netaansluitingen en netverzwaring?
Wat kosten congestie en balancering?
Wat kost opslag of andere flexibiliteit wanneer productie en vraag niet samenvallen?
Welke financiële risico's zijn bij private partijen gebleven en welke zijn direct of indirect collectief gemaakt?
En wat kost het uiteindelijk om duizenden windturbines en zonne-installaties na hun levensduur weer te verwijderen?
Pas wanneer die kosten zichtbaar zijn, kunnen we werkelijk vergelijken.
En dan moet die turbine ooit weer weg
Juist hier vond ik een van de opmerkelijkste bevestigingen van het Australische verhaal.
De Australian Energy Infrastructure Commissioner waarschuwt landeigenaren expliciet voor de financiële risico's van decommissioning.
De geschatte ontmantelingskosten van een moderne windturbine bedragen ongeveer A$400.000 per turbine en kunnen bij grotere turbines oplopen tot A$600.000 of meer.
Daartegenover kan een landeigenaar volgens dezelfde instantie gedurende 25 jaar ongeveer A$250.000 tot A$750.000 aan vergoedingen ontvangen voor het plaatsen van een turbine.
De conclusie van de Commissioner is opmerkelijk:
de kosten om een turbine uiteindelijk te verwijderen kunnen even hoog of hoger zijn dan alle inkomsten die de landeigenaar er gedurende 25 jaar mee heeft verdiend.
Normaal ligt die verantwoordelijkheid bij de projecteigenaar.
Maar 25 jaar is lang.
Projecten worden verkocht. Ondernemingen veranderen van eigenaar. Bedrijven kunnen verdwijnen of failliet gaan.
Daarom waarschuwt de Commissioner dat vooraf duidelijk moet zijn wie verantwoordelijk is, wie betaalt en hoe het benodigde geld daadwerkelijk wordt veiliggesteld.
Dat is voor mij geen voetnoot.
Het is onderdeel van de werkelijke economische rekening.
Van groene keuze naar systeem zonder echte keuze
Daar zit bovendien een vreemde ontwikkeling in.
Ooit werd groene energie verkocht als keuze.
De consument kon bewust voor groene stroom kiezen.
Maar wind- en zonne-energie zijn inmiddels geen alternatieve niche meer. Ze vormen steeds nadrukkelijker het door overheden gekozen energiesysteem.
We zien windturbines op land en op zee. Zonnepanelen op miljoenen daken. Complete zonneparken op landbouwgrond. En enorme investeringen in infrastructuur om dat energiesysteem mogelijk te maken.
De oorspronkelijke vraag:
“Wilt u groene energie?”
verandert daardoor langzaam in een heel andere:
“Wat gaat het energiesysteem waarvoor politiek is gekozen ons uiteindelijk kosten?”
Is het een scam?
Na het beluisteren van deze Australische klokkenluider en het controleren van belangrijke onderdelen van het systeem dat zij beschrijft, vind ik haar kwalificatie “scam” niet gemakkelijk meer weg te wuiven.
Daarmee zeg ik niet dat iedere windparkontwikkelaar fraudeert.
Ik zeg evenmin dat windturbines geen elektriciteit produceren.
Mijn kritiek richt zich op iets anders:
het economische systeem erachter.
Wanneer regelgeving een markt creëert of stimuleert, publieke middelen investeringen rendabeler maken, private partijen rendement behalen en substantiële systeemkosten uiteindelijk direct of indirect bij burgers en ondernemingen terechtkomen, wil ik weten hoe die volledige geldstroom eruitziet.
Niet alleen het gedeelte dat op de brochure staat.
En daarom kom ik steeds bij dezelfde vragen uit:
Wie ontvangt de subsidies?
Wie bezit de wind- en zonneparken?
Welke rendementen worden daar gemaakt?
Welke risico's worden door investeerders gedragen — en welke uiteindelijk door de samenleving?
Wie betaalt de noodzakelijke infrastructuur?
Wie betaalt de ontmanteling over twintig of dertig jaar?
En uiteindelijk:
Wie wordt hier werkelijk beter van?
Misschien moeten we na decennia praten over “groene energie” minder naar de kleur kijken en meer naar de geldstromen.
Want een technologie kan hernieuwbaar zijn.
Een businessmodel kan legaal zijn.
Een subsidie kan een politiek gewenst doel dienen.
Maar geen van die drie antwoorden vertelt ons automatisch of het gehele systeem economisch duurzaam, transparant en eerlijk verdeeld is.
Daarvoor moeten we de volledige rekening zien.
Follow the money.
—
Joan Désirée Mulder, LL.M.
JAS – Aware Solutions
Meer juridische analyses en onderzoek:
www.jasduurzaamadvies.nl