JAS – Aware Solutions
Independent legal research and analysis on law, regulation, technology and society. Critical thinking, complex questions and practical implications.
OPEN AI en ChatGPT
De vertrouwelijkheid van ChatGPT onder de loep: persoonsgegevens, AI-geheugen en de grenzen van toestemming
Hoe conversationele AI kan leiden tot een omvangrijk persoonlijk informatieprofiel — en welke bescherming de AVG biedt.
JAS Duurzaam Advies | 26 september 2026
Inleiding
Wie een zoekmachine gebruikt, stelt een vraag. Wie een AI-assistent gebruikt, begint steeds vaker een gesprek.
Dat verschil lijkt klein, maar heeft grote gevolgen voor de manier waarop mensen persoonlijke informatie delen.
Een chatbot die vriendelijk reageert, eerdere gesprekken onthoudt en aanbiedt om documenten of screenshots te bekijken, kan een vertrouwde digitale gesprekspartner worden.
Gebruikers delen niet alleen zakelijke vragen, maar ook persoonlijke omstandigheden, gezondheidsinformatie, financiële problemen, relatiekwesties en vertrouwelijke communicatie met derden.
De vraag is niet uitsluitend of die informatie technisch voldoende wordt beveiligd.
De wezenlijke vraag is of de gebruiker begrijpt dat deze informatie wordt verstrekt aan een commerciële aanbieder die haar verwerkt, kan bewaren en onder bepaalde voorwaarden voor andere doeleinden kan gebruiken.
Het Europese privacybeleid van OpenAI, bijgewerkt op 24 augustus 2026, biedt aanleiding om deze vraag nader te onderzoeken.
1. Van een losse vraag naar een persoonlijk informatieprofiel
OpenAI beschrijft in zijn privacybeleid verschillende categorieën persoonsgegevens die het kan verzamelen.
Daaronder vallen accountgegevens, gebruikersinhoud, gebruiksgegevens, apparaat- en locatiegegevens en informatie uit andere bronnen.
Gebruikersinhoud omvat onder meer tekst, bestanden, afbeeldingen, audio, video en gegevens die via gekoppelde diensten beschikbaar komen.
Een screenshot van een privégesprek is daardoor niet slechts een hulpmiddel om een vraag te beantwoorden. Het bevat mogelijk meerdere categorieën persoonsgegevens die bij een externe dienstverlener terechtkomen.
Bovendien hoeft informatie niet afzonderlijk bijzonder gevoelig te lijken om in combinatie een diepgaand persoonlijk beeld op te leveren.
Denk aan een gebruiker die gedurende langere tijd gegevens deelt over werk, gezin, financiële omstandigheden, gezondheid en persoonlijke relaties.
De samenhang tussen deze gegevens kan nieuwe informatie opleveren die niet rechtstreeks in één afzonderlijk gesprek is verstrekt.
De geheugenfunctionaliteit van ChatGPT versterkt het belang van deze samenhang. Afhankelijk van de beschikbare functies en instellingen kan het systeem eerdere gesprekken, bestanden en informatie uit gekoppelde bronnen benutten voor personalisatie.
Dat maakt de dienstverlening gebruiksvriendelijker, maar roept tegelijkertijd vragen op over gegevensminimalisatie, doelbinding, juistheid en bewaartermijnen.
Het geheugenoverzicht dat een gebruiker ziet, hoeft bovendien niet iedere beschikbare bron of ieder detail weer te geven.
Daarmee ontstaat een relevante vraag: hoe kan een gebruiker de juistheid en volledigheid van persoonlijke informatie controleren wanneer het systeem die informatie uit verschillende bronnen samenstelt?
2. Vertrouwelijkheid: een technische, juridische en communicatieve kwestie
Het begrip vertrouwelijkheid verdient een precieze afbakening.
Een gesprek kan beveiligd zijn tegen onbevoegde toegang en toch worden verwerkt door de aanbieder, zijn dienstverleners of andere daartoe bevoegde partijen.
Ook is een niet-openbaar gesprek niet automatisch gelijk te stellen aan communicatie die onder een wettelijk beroepsgeheim valt.
OpenAI beschrijft in zijn privacybeleid onder welke omstandigheden persoonsgegevens aan onder meer dienstverleners, gelieerde ondernemingen en andere partijen kunnen worden verstrekt.
Daarnaast kunnen gebruikersgesprekken in het kader van bepaalde processen worden beoordeeld.
Hieruit volgt niet dat iedere conversatie door medewerkers wordt gelezen. Evenmin mag zonder bewijs worden gesteld dat een specifiek gesprek daadwerkelijk is ingezien.
Wel volgt hieruit dat absolute exclusiviteit tussen gebruiker en chatbot niet kan worden verondersteld.
Dit brengt ons bij een bijzonder aspect van conversationele AI: de wijze waarop het systeem communiceert.
Wanneer een chatbot uitspraken doet over vertrouwelijkheid, kunnen gebruikers die ervaren als een concrete garantie van de dienstverlener.
Maar een gegenereerd antwoord is geen zelfstandige contractuele toezegging en kan geen ruimere privacybescherming creëren dan daadwerkelijk wordt geboden.
Dat ontslaat de aanbieder niet van zijn eigen verantwoordelijkheid voor duidelijke informatievoorziening.
Integendeel. Naarmate systemen persoonlijker worden, wordt begrijpelijke communicatie over gegevensverwerking belangrijker.
3. Wat verlangt de AVG?
De Algemene verordening gegevensbescherming bevat verschillende beginselen die relevant zijn voor conversationele AI.
Transparantie en behoorlijkheid
Artikel 5, eerste lid, onder a, AVG verlangt dat persoonsgegevens rechtmatig, behoorlijk en transparant worden verwerkt.
Artikel 12 AVG vereist dat informatie over gegevensverwerking beknopt, transparant, begrijpelijk en gemakkelijk toegankelijk wordt verstrekt, in duidelijke en eenvoudige taal.
Artikel 13 AVG bepaalt welke informatie moet worden verstrekt wanneer persoonsgegevens bij de betrokkene worden verzameld.
Een privacyverklaring is dus niet uitsluitend een juridisch document waarmee een onderneming haar eigen positie vastlegt.
Zij dient de betrokkene in staat te stellen te begrijpen wat met diens gegevens gebeurt.
Daarbij verdient de feitelijke gebruikerservaring aandacht.
Wanneer de interface een gevoel van exclusieve vertrouwelijkheid oproept, terwijl de gegevens onder een breder verwerkingsregime vallen, ontstaat een spanning tussen de ervaren en de juridische werkelijkheid.
Of een concrete inrichting daarmee in strijd is met de AVG, kan niet zonder nader onderzoek worden vastgesteld.
Wel is het een relevante toetsingsvraag voor de beoordeling van transparantie.
Doelbinding en gegevensminimalisatie
Artikel 5, eerste lid, onder b en c, AVG verlangt dat gegevens voor welbepaalde doeleinden worden verzameld en beperkt blijven tot wat noodzakelijk is.
Dat roept vragen op over de verhouding tussen het beantwoorden van een individuele vraag en het langdurig beschikbaar houden van persoonlijke informatie voor toekomstige personalisatie.
Welke gegevens zijn daarvoor werkelijk noodzakelijk?
Welke bewaartermijnen zijn passend?
En hoe kan een gebruiker beoordelen of de gegevensverwerking proportioneel blijft?
Rechtmatigheid en toestemming
Een belangrijk juridisch onderscheid is dat niet iedere verwerking noodzakelijkerwijs op toestemming berust.
Artikel 6 AVG kent verschillende mogelijke rechtsgrondslagen, waaronder overeenkomst, wettelijke verplichting en gerechtvaardigd belang.
Voor bijzondere categorieën persoonsgegevens, zoals gezondheidsgegevens, gelden bovendien aanvullende beperkingen op grond van artikel 9 AVG.
Het enkele feit dat iemand vrijwillig informatie in een chatbot invoert, betekent niet dat daarmee automatisch iedere verdere verwerking rechtmatig is.
Voor iedere verwerkingsactiviteit moeten doel en toepasselijke rechtsgrond worden vastgesteld.
Ook moet onderscheid worden gemaakt tussen noodzakelijke verwerking om een antwoord te leveren, personalisatie en verwerking voor modelverbetering.
Dat onderscheid behoort voor de gebruiker begrijpelijk te zijn.
4. Opslag, geheugen en modeltraining: drie afzonderlijke processen
Dit is waarschijnlijk een van de belangrijkste praktische onderscheidingen.
OpenAI biedt gebruikers de mogelijkheid om het gebruik van nieuwe gesprekken voor modelverbetering uit te schakelen.
Maar het uitschakelen van modeltraining verwijdert de chatgeschiedenis niet.
Ook geheugenfuncties kennen eigen instellingen en verwijderingsmechanismen.
Bestanden die afzonderlijk in Library zijn opgeslagen, kunnen onafhankelijk van het oorspronkelijke gesprek worden bewaard.
Een gebruiker die zijn privacy wil beschermen, moet dus meerdere onderdelen controleren.
Daar komt nog een relevante bijzonderheid bij.
Volgens de officiële documentatie van OpenAI kan de conversatie die hoort bij vrijwillig gegeven feedback alsnog voor modelverbetering worden gebruikt, ook wanneer de gebruiker eerder voor reguliere modeltraining is afgemeld.
Dit verdient expliciete aandacht. Een gebruiker kan immers denken dat het uitschakelen van modeltraining alle verdere verwerking voor dat doel uitsluit.
Ook moet worden onderscheiden tussen verwijdering uit operationele opslag en gegevens die eventueel eerder in een trainingsproces zijn verwerkt.
Het verwijderen van een bronbestand is niet zonder meer hetzelfde als het terugdraaien van een eerder trainingsproces.
Welke gegevens daadwerkelijk voor training zijn gebruikt, kan voor een individuele gebruiker niet uit de gewone chatinterface worden afgeleid.
5. Verwijdering: wat verdwijnt er werkelijk?
Volgens de actuele bewaarinformatie van OpenAI blijven reguliere en gearchiveerde gesprekken in beginsel bewaard totdat de gebruiker ze verwijdert of een toepasselijke bewaartermijn verstrijkt.
Na verwijdering wordt de definitieve verwijdering uit de systemen in beginsel binnen 30 dagen uitgevoerd.
Daarop bestaan uitzonderingen, onder meer voor bepaalde wettelijke en veiligheidsdoeleinden of wanneer gegevens reeds zijn gedeïdentificeerd en losgekoppeld van het account.
Ook afzonderlijke bestanden en geheugeninformatie moeten worden gecontroleerd.
Tijdelijke gesprekken worden niet in de gewone chatgeschiedenis opgenomen zolang ze tijdelijk blijven. OpenAI kan echter ook daarvan een kopie gedurende maximaal 30 dagen bewaren voor veiligheidsdoeleinden.
Temporary Chat is dus geen garantie dat iedere vorm van verwerking of opslag achterwege blijft.
Hieruit volgt een belangrijk praktisch advies:
Wie eerst wil reconstrueren welke gegevens zijn verwerkt, doet er verstandig aan gegevens op te vragen voordat hij zijn geschiedenis verwijdert.
6. De vergeten partij: persoonsgegevens van anderen
De discussie over AI-privacy richt zich doorgaans op de gebruiker zelf.
Maar een screenshot van een WhatsAppgesprek bevat veelal gegevens van meerdere personen.
Een contract bevat persoonsgegevens van contractspartijen.
Een personeelsdocument kan informatie over werknemers bevatten.
Een medisch document kan zelfs bijzondere persoonsgegevens omvatten.
De gebruiker is dus niet noodzakelijk de enige betrokkene.
Voor professionele gebruikers is dit extra belangrijk. Afhankelijk van hun hoedanigheid en de omstandigheden kunnen aanvullende verplichtingen uit de AVG, beroepsregels of geheimhoudingsovereenkomsten gelden.
Dat een AI-dienst het uploaden van een document technisch mogelijk maakt, betekent niet dat de gebruiker gerechtigd is het document zonder verdere beoordeling te verstrekken.
Hetzelfde geldt voor het koppelen van externe diensten, zoals e-mail of bestandenopslag.
Ook daarbij moeten toegangsrechten, doelbinding en verdere gegevensverwerking worden onderzocht.
Het uitgangspunt hoort eenvoudig te zijn: verstrek alleen de informatie die noodzakelijk is voor de specifieke opdracht.
7. Praktische bescherming: wat kan de gebruiker zelf doen?
A. Beperk toekomstige gegevensverwerking
Schakel via Instellingen → Gegevensbeheer de optie 'Het model voor iedereen verbeteren' uit wanneer je niet wilt dat nieuwe gesprekken regulier voor modelverbetering worden gebruikt.
Controleer daarnaast de instellingen onder Personalisatie.
Ga na welke geheugenfuncties actief zijn en welke informatie uit eerdere gesprekken of gekoppelde bronnen beschikbaar is.
B. Minimaliseer informatie vóór upload
Verwijder identificerende gegevens uit screenshots en documenten.
Denk aan namen, telefoonnummers, adressen, geboortedata, rekeningnummers, handtekeningen en andere gegevens die niet noodzakelijk zijn voor de vraag.
Controleer ook de context. Een combinatie van schijnbaar anonieme details kan alsnog tot heridentificatie leiden.
Gebruik waar mogelijk fictieve namen, samenvattingen of uitsluitend relevante tekstfragmenten.
C. Beoordeel vertrouwelijke informatie afzonderlijk
Gebruik een consumentenaccount niet zonder meer voor vertrouwelijke zakelijke of professionele informatie.
OpenAI hanteert voor bepaalde zakelijke diensten een ander regime voor modeltraining dan voor persoonlijke accounts.
Ook daarbij blijven de toepasselijke overeenkomst, beveiligingsmaatregelen, toegangsrechten en eventuele externe koppelingen relevant.
Een betaald consumentenabonnement is niet automatisch hetzelfde als een zakelijke verwerkersovereenkomst.
D. Controleer alle opslaglocaties
Bekijk niet alleen de zichtbare chatgeschiedenis, maar ook:
- Gearchiveerde gesprekken.
- Het geheugenoverzicht.
- Afzonderlijk opgeslagen Library-bestanden.
- Projecten en eventuele gekoppelde applicaties.
- Eerder aangemaakte gedeelde gesprekslinks.
Het verwijderen van een chat is niet noodzakelijk voldoende om iedere afzonderlijke bron te verwijderen.
E. Wees voorzichtig met feedback
Volgens OpenAI kan vrijwillige feedback op een antwoord ertoe leiden dat de bijbehorende conversatie voor modelverbetering wordt gebruikt.
Vermijd daarom het toevoegen van gevoelige informatie aan feedback en beoordeel de gevolgen voordat je feedback verstuurt.
F. Maak gebruik van je inzagerecht
Een gebruiker die wil vaststellen welke persoonsgegevens OpenAI verwerkt, kan op grond van artikel 15 AVG een inzageverzoek indienen.
Dat verzoek kan onder meer betrekking hebben op de verwerkte persoonsgegevens, doeleinden, categorieën, ontvangers, bewaartermijnen en beschikbare informatie over herkomst en eventuele geautomatiseerde besluitvorming.
Ook afgeleide persoonsgegevens kunnen onder het inzagerecht vallen.
Een gewone data-export is daarvoor niet noodzakelijk voldoende.
OpenAI biedt een privacyportaal en het contactadres dsar@openai.com.
Een organisatie moet in beginsel binnen één maand reageren. Bij complexe verzoeken is onder voorwaarden verlenging mogelijk.
Na inzage kunnen, afhankelijk van de omstandigheden, andere rechten worden uitgeoefend, waaronder rectificatie, verwijdering, beperking of bezwaar.
Het recht op verwijdering is overigens niet absoluut.
8. De verantwoordelijkheid van de aanbieder
Privacybescherming mag niet volledig worden afgewenteld op de gebruiker.
De AVG kent niet voor niets het beginsel van gegevensbescherming door ontwerp en standaardinstellingen, neergelegd in artikel 25.
Bij conversationele AI verdient de toepassing daarvan bijzondere aandacht.
Een aanbieder kan privacyinformatie juridisch correct publiceren en tegelijkertijd een gebruikersomgeving aanbieden waarin de consequenties van gegevensdeling onvoldoende zichtbaar zijn.
Dat is geen automatische vaststelling van een overtreding, maar wel een wezenlijk aandachtspunt bij het beoordelen van transparantie en behoorlijkheid.
Juist een systeem dat uitnodigt tot langdurige persoonlijke gesprekken, zou actief duidelijk moeten maken waar vertrouwelijkheid eindigt.
Bij het uploaden van gevoelige documenten of communicatie van derden hoort de gebruiker begrijpelijke informatie te krijgen over de relevante gevolgen.
Niet uitsluitend via een privacyverklaring die hij zelf moet opzoeken.
Conclusie
De betekenis van AI voor kenniswerk staat niet ter discussie. De technologie kan onderzoek versnellen, analyses ondersteunen en complexe informatie toegankelijk maken.
Maar gebruiksgemak rechtvaardigt geen onduidelijkheid over de verwerking van persoonlijke informatie.
Er moet een scherp onderscheid bestaan tussen:
- Een gesprek dat niet openbaar is.
- Gegevens die door de aanbieder worden verwerkt en bewaard.
- Informatie die voor personalisatie beschikbaar blijft.
- Inhoud die eventueel wordt gebruikt voor modelverbetering.
- Gegevens die daadwerkelijk zijn verwijderd.
Een gebruiker mag deze verschillen niet pas ontdekken nadat hij maanden of jaren persoonlijke informatie heeft gedeeld.
Voor aanbieders ligt hier een verantwoordelijkheid die verder reikt dan het aanbieden van een instellingenmenu.
Voor gebruikers geldt dat digitale autonomie begint bij kennis van de technische en juridische werkelijkheid.
Wie niet weet waar zijn gegevens terechtkomen, kan niet werkelijk beoordelen wat hij bereid is te delen.
Bronnen en juridisch kader
- OpenAI, Europees privacybeleid, 24 augustus 2026.
- OpenAI Help Center, Data controls in ChatGPT.
- OpenAI Help Center, Memory in ChatGPT.
- OpenAI Help Center, Chat and file retention in ChatGPT.
- OpenAI Help Center, How your data is used to improve model performance.
- OpenAI Help Center, Temporary Chat in ChatGPT.
- Verordening (EU) 2016/679 (AVG), in het bijzonder artikelen 5, 6, 9, 12, 13, 15, 17 en 25.
- Autoriteit Persoonsgegevens, Recht op inzage, bijgewerkt 17 september 2026.
JAS Duurzaam Advies
Juridisch onderzoek | Privacy | Digitalisering | Contractuele verantwoordelijkheid
Part V — When Loneliness Becomes a Business Model
Synthetic intimacy, human vulnerability and the business of being wanted
He is handsome. Very handsome. Italian, perhaps. Well dressed, successful, apparently single.
His posts are not only about cars, clothes or beautiful places. They are about relationships.
When I find my wife, I will treat her like this.
My future woman will never have to worry about that.
I am still waiting for the right one.
Then come the comments.
Women flirt. They volunteer information about themselves. Some joke about applying for the position. Others appear genuinely captivated. They are not simply admiring a beautiful image.
They are responding to the suggestion of romantic possibility.
But what if the man does not exist?
That changes the question completely.
From synthetic identity to synthetic intimacy
In Part IV of this series, JAS examined the synthetic persona: an apparently human social-media identity built around a person who may never have existed.
But physical attractiveness is only the beginning.
Give that synthetic person a personality, opinions, vulnerability and apparent romantic availability and something much more powerful can emerge: synthetic intimacy.
This is not theoretical psychology. Research increasingly shows that people can develop parasocial relationships — one-sided emotional bonds — with virtual influencers. A 2025 University of Amsterdam study followed 185 young adults for four weeks and found that parasocial relationship intensity increased over time for both human and virtual influencers, with broadly similar relationship development.
Research published in 2026 goes further. One study found that perceived interactivity combined with physical attractiveness can strengthen parasocial romantic relationships with AI virtual agents. Another found that attractiveness and perceived humanness can contribute to emotional attachment to virtual human influencers.
In other words: knowing that something is virtual does not necessarily prevent human attachment.
That is where the commercial question becomes uncomfortable.
What exactly is being monetised?
Influencer marketing has always monetised attention. An attractive person builds an audience and recommends a watch, hotel, protein shake or handbag.
Synthetic intimacy introduces another possibility.
The valuable asset may no longer simply be attention.
It may be attachment.
A synthetic persona can appear interested, available, lonely, caring or romantic. It can repeatedly create the suggestion of a relationship that might somehow become possible.
Maybe he will notice me.
Maybe she understands me.
Maybe I am exactly the kind of person this account is talking about.
If that emotional involvement subsequently drives views, subscriptions, paid conversations, affiliate sales, advertising revenue or product purchases, human vulnerability has become part of the commercial architecture.
Research already demonstrates the economic relevance of these relationships. A 2026 study found that parasocial relationships with virtual influencers directly affected behavioural intention and also worked indirectly through perceived value. Researchers explicitly identify relationship-building with virtual influencers as commercially relevant.
That does not mean every virtual influencer is manipulating vulnerable people. Nor does every follower who flirts with an attractive avatar believe a real relationship is possible.
But it does mean that emotional attachment is no longer merely an accidental side effect.
It can have commercial value.
The law already recognises vulnerability — but does it recognise this?
European consumer law is not blind to vulnerability.
Under the Unfair Commercial Practices Directive, commercial practices can be assessed from the perspective of a clearly identifiable group that is particularly vulnerable because of age, mental or physical infirmity or credulity, where that vulnerability can reasonably be foreseen by the trader. Misleading and aggressive commercial practices are prohibited.
European law also already treats many influencers as traders when they conduct regular commercial activities. Advertising and other commercial content must be identifiable as such. The European Commission states that followers are entitled to transparent and reliable information, and its 2023 sweep found widespread failures to disclose commercial content properly.
But synthetic intimacy creates a more difficult question.
What if the commercial persuasion starts before the advertisement?
The account spends months constructing a desirable personality. Followers become emotionally invested. Romantic availability is repeatedly suggested. Only later are products, subscriptions or other monetised interactions introduced.
The commercial mechanism may therefore not be contained in one misleading advertisement.
The relationship itself may be part of the sales funnel.
That deserves considerably more legal attention.
The difference between fantasy and deception
There is nothing wrong with fantasy.
Films, novels, advertising and popular music have always traded in romantic fantasy. Nor should every fictional or AI-generated character carry a legal warning simply because somebody finds it attractive.
The relevant distinction is transparency.
A fictional character in a film does not pretend that the viewer has a chance of being chosen.
A synthetic social-media persona can.
And when an apparently autonomous person repeatedly presents himself or herself as romantically available, interacts with followers and benefits commercially from the resulting attachment, the boundary between entertainment and commercial persuasion becomes much harder to identify.
The question is therefore not whether people should be allowed to fall for fantasy.
Of course they should.
The question is whether businesses should be allowed to engineer ambiguity about whether the relationship opportunity itself is real and then monetise the emotional response created by that ambiguity.
That is a very different proposition.
JAS Aware Solution: disclose the relationship architecture
Part IV proposed a simple principle:
Label the identity, not only the content.
A recurring digitally created person should be identifiable as a synthetic persona.
Part V adds another layer.
Where synthetic personas are commercially operated and designed to cultivate personal or romantic attachment, users should also be able to understand who controls the interaction and how it is monetised.
Not pages of legal language. Not another unreadable terms-and-conditions document.
Clear information.
SYNTHETIC PERSONA
This is a digitally created identity.
And where relevant:
COMMERCIAL AI INTERACTION
Interactions with this persona may be automated and are operated for commercial purposes.
That would not prohibit virtual relationships.
It would not prohibit AI companions.
It would not prohibit fictional influencers, romantic storytelling or people enjoying any of them.
It would restore something much simpler:
informed emotional consent.
Because there is an important difference between choosing to participate in a fantasy and being encouraged to believe that the fantasy might choose you.
For decades, advertising has studied human desire.
Artificial Intelligence gives businesses something new: the ability to embody that desire in a human-like character that can potentially speak back.
That creates extraordinary commercial possibilities.
It also creates responsibility.
Human vulnerability should never become invisible infrastructure in a business model.
JAS Aware Solution
Transparency should extend beyond AI-generated content to the identity, interaction and commercial purpose behind synthetic personas.
People do not need protection from imagination.
They need enough information to know when imagination is being deliberately presented as human possibility.
JAS — Aware Solutions
Research. Analysis. Practical solutions.
Biotechnologie | Zaden | Patenten | Zoetwatervoorraden | Monsanto
Wie controleert de volgende oogst?
Over zaadveredeling, patenten, zoet water en het recht om opnieuw voedsel voort te brengen
Ruim twintig jaar geleden reed ik regelmatig over de Leeuwenhoekweg tussen Rotterdam-Hillegersberg en Bergschenhoek.
Daar stond een groot zaadveredelingsbedrijf met een naam die toen al vragen opriep: Monsanto.
De vestiging bestond uit kassen, laboratoria, zaadverwerking en onderzoek naar nieuwe plantenrassen. Wanneer ik erlangs reed, vroeg ik mij af:
Wat gebeurt daar achter die deuren?
Monsanto was geen Nederlands bedrijf, maar een Amerikaanse multinational die wereldwijd actief was in landbouwchemicaliën, biotechnologie en zaden. Het concern nam verschillende zaadbedrijven over en verwierf daarmee niet alleen commerciële producten, maar ook veredelingskennis en genetisch materiaal.
In 2018 werd Monsanto zelf overgenomen door Bayer. De naam verdween, maar de fundamentele vraag bleef bestaan:
Wie controleert de mogelijkheid om opnieuw voedsel voort te brengen?
Zaadveredeling is niet hetzelfde als genetische manipulatie
Mensen veredelen planten al eeuwen.
Door planten met gewenste eigenschappen te selecteren en te kruisen, ontstonden rassen met een hogere opbrengst, een betere smaak, een langere houdbaarheid of meer weerstand tegen ziekten.
Deze klassieke zaadveredeling is iets anders dan genetische modificatie, waarbij met biotechnologische technieken gericht genetisch materiaal wordt veranderd of ingebracht.
Ook niet ieder commercieel zaadje is genetisch gemodificeerd of gepatenteerd. Veel traditionele, biologische en open bestoven rassen kunnen worden geoogst, bewaard en opnieuw gezaaid.
Maar moderne zaadveredeling is steeds sterker verbonden geraakt met intellectuele eigendomsrechten.
Binnen de Europese Unie kunnen nieuwe plantenrassen worden beschermd door kwekersrechten. Daarnaast kunnen bepaalde biotechnologische uitvindingen en genetische eigenschappen onder octrooien vallen. Contractuele voorwaarden kunnen het gebruik van commercieel zaad verder beperken.
Daardoor betekent de aankoop van zaad niet automatisch dat de koper ook een onbeperkt recht verkrijgt om het daaruit voortkomende zaad te bewaren, te vermeerderen of opnieuw te gebruiken.
Bij sommige beschermde landbouwgewassen bestaat een beperkte mogelijkheid om zelf geoogst zaad opnieuw te zaaien, maar daaraan kunnen voorwaarden en vergoedingen zijn verbonden. Bij andere rassen, patenten of licenties kan hergebruik verder worden beperkt.
Het juridische onderscheid is ingewikkeld. De machtsvraag is eenvoudig:
Koopt iemand werkelijk het zaad, of slechts toestemming voor één teeltcyclus?
Van product naar reproductie
Wie een tomaat koopt, koopt voedsel.
Wie een zaadje koopt, koopt de mogelijkheid om voedsel voort te brengen.
En wie zeggenschap verkrijgt over de reproductie van dat zaad, verkrijgt invloed op toekomstige oogsten.
Daarom gaat de discussie over zaadpatenten niet uitsluitend over bescherming van onderzoek en innovatie. Veredeling kost tijd, kennis en geld; een zekere bescherming van nieuwe rassen kan investeringen mogelijk maken.
Maar bescherming kan ook marktmacht creëren.
Wanneer patenten, kwekersrechten, genetisch materiaal, landbouwchemicaliën en distributiekanalen bij een klein aantal multinationals samenkomen, ontstaat afhankelijkheid. Boeren en tuinders hebben dan minder keuze en kunnen voor iedere nieuwe teelt opnieuw aangewezen raken op dezelfde leveranciers.
Het gaat dan niet meer alleen om wie vandaag zaad verkoopt.
Het gaat om wie morgen de volgende oogst mogelijk maakt — of tegenhoudt.
Vruchtbare grond zonder water
In 2020 hing mijn moestuin in Piemonte vol tomaten. Ook in 2021 en 2022 waren de oogsten overvloedig.
De grond rondom Rana Cantante was — en is — vruchtbaar.
Toch kon ik die opbrengsten daarna niet meer evenaren.
De put naast de moestuin, die vroeger voor de irrigatie werd gebruikt, leverde steeds minder water. Uiteindelijk bleef onderin nauwelijks meer dan een laag drab over. Tijdens lange, hete zomers was er niet meer tegenaan te sproeien.
Daarmee werd zichtbaar dat voedselzekerheid nooit alleen over grond of zaden gaat.
Een moestuin heeft een volledige keten nodig:
- geschikte zaden;
- vruchtbare en gezonde bodem;
- voldoende zoet water;
- opslag- en irrigatiemogelijkheden;
- kennis en fysieke arbeid;
- juridische ruimte om deze middelen daadwerkelijk te gebruiken.
Wanneer één essentiële schakel wegvalt, verliezen de andere schakels een groot deel van hun waarde.
Grond zonder water is geen voedselzekerheid.
Zoet water is niet vanzelfsprekend
De wereld raakt niet letterlijk al haar water kwijt. Water verdwijnt niet van de planeet.
Maar bruikbaar zoet water kan lokaal wel onvoldoende beschikbaar, vervuild, te diep gelegen of op het verkeerde moment aanwezig zijn. Dat verschil is essentieel.
Volgens UNESCO is landbouw verantwoordelijk voor ongeveer 70 procent van de wereldwijde zoetwateronttrekking. Industrie gebruikt bijna 20 procent; huishoudelijk en gemeentelijk gebruik vormt het overige deel.
Tegelijkertijd neemt de mondiale waterstress toe. Klimaatverandering maakt neerslag grilliger en vergroot in veel gebieden de kans op langdurige droogte, extreme hitte en uitputting van grondwatervoorraden.
Waterbeperkingen zijn daarom geen denkbeeldig toekomstscenario. Tijdens ernstige droogteperiodes beperken overheden nu al het vullen van zwembaden, het wassen van auto’s en het sproeien van tuinen. Wanneer tekorten verergeren, zal scherper moeten worden afgewogen welk gebruik voorrang krijgt.
Drinkwater, landbouw, natuur, industrie, energie en technologie concurreren uiteindelijk om dezelfde regionale bronnen.
De groeiende watervraag van datacenters
Ook digitalisering heeft een fysieke infrastructuur.
Datacenters gebruiken elektriciteit en, afhankelijk van hun koelsysteem en locatie, aanzienlijke hoeveelheden water voor koeling. Daarnaast ontstaat indirect watergebruik bij de opwekking van hun elektriciteit.
De Europese Commissie noemt dagelijkse verbruiken die uiteenlopen van tienduizenden liters voor kleinere commerciële datacenters tot ongeveer 1,7 miljoen liter voor grote hyperscale locaties.
Niet ieder datacenter gebruikt evenveel water. Nieuwe koelsystemen kunnen het directe waterverbruik sterk verminderen. Ook locatie, klimaat, energiebron en hergebruik maken veel verschil.
Maar de schaal groeit snel. De Europese Unie wil haar datacentercapaciteit de komende jaren sterk uitbreiden. Wereldwijd neemt de vraag naar cloudopslag, streaming, digitale dienstverlening en kunstmatige intelligentie verder toe.
Datacenters zijn niet de grootste mondiale watergebruiker; landbouw blijft met afstand de grootste categorie. Maar in regio’s waar water al schaars is, kan ieder groot nieuw verbruik lokale gevolgen hebben.
Daarom moet de vraag niet alleen zijn hoeveel economische waarde een datacenter oplevert, maar ook:
- uit welke bron het koelwater afkomstig is;
- hoeveel water daadwerkelijk wordt verbruikt;
- hoeveel water in bruikbare toestand terugkeert;
- welke andere gebruikers van dezelfde bron afhankelijk zijn;
- en wie tijdens schaarste voorrang krijgt.
Wateronttrekking is niet hetzelfde als waterconsumptie. Transparantie over beide is noodzakelijk.
Regenwater opvangen is geen hobbyproject
Mijn eerste gedachte was een bassin bouwen om regenwater op te slaan voor de moestuin.
Maar een permanente constructie kan onder bouw-, veiligheids- en plaatselijke vergunningsregels vallen. Regenwater mogen gebruiken betekent dus niet automatisch dat iedere opslagconstructie zonder toestemming mag worden aangelegd.
In Piemonte is regenwater dat in reservoirs of cisternen wordt verzameld voor landbouwgrond of één gebouw uitgezonderd van het regionale stelsel voor waterconcessies. Dat neemt niet weg dat voor het bouwwerk zelf andere regels kunnen gelden.
Een kleine regenton is nuttig, maar niet voldoende om een grote moestuin door weken van droogte te helpen. Wie werkelijk weerbaar wil worden, moet nadenken over schaal:
- hoeveel dakoppervlak kan regen opvangen;
- hoeveel neerslag valt er gemiddeld;
- hoeveel opslag is technisch mogelijk;
- hoeveel water heeft de tuin in een droge periode nodig;
- kan druppelirrigatie het verbruik verminderen;
- kan de bodem met compost en mulch langer vocht vasthouden;
- en waar kan overtollig water veilig naartoe?
Een goed systeem heeft minimaal een schoon opvangoppervlak, deugdelijke goten, filtering van bladeren en vuil, een gesloten reservoir, een veilige overloop en bescherming tegen muggen en verontreiniging.
Opgevangen regenwater is zonder geschikte behandeling niet automatisch drinkwater. Houd het systeem daarom gescheiden van de drinkwaterinstallatie en controleer altijd de lokale voorschriften voordat een grote of permanente constructie wordt gebouwd.
Bewaar geschikte zaden
Naast water verdient ook zaadvoorraad aandacht.
Wie een moestuin heeft of wil opbouwen, kan beginnen met het verzamelen en bewaren van zaden van geschikte, rechtmatig verkregen en bij voorkeur open bestoven rassen.
Open bestoven rassen geven — wanneer ongewenste kruisbestuiving wordt voorkomen — doorgaans nakomelingen met herkenbare eigenschappen. Bij veel F1-hybriden is dat niet gegarandeerd: de volgende generatie kan sterk afwijken van de oorspronkelijke plant.
Praktisch betekent dit:
- kies rassen die passen bij de lokale bodem en het klimaat;
- controleer of het ras vrij kan worden vermeerderd;
- oogst zaad van gezonde, sterke planten;
- laat het zaad goed drogen;
- bewaar het koel, donker en droog;
- noteer ras, oogstjaar en herkomst;
- test periodiek de kiemkracht;
- en ruil waar toegestaan zaden en kennis uit met andere tuinders.
Het advies is niet om willekeurig commerciële of beschermde rassen te vermeerderen. Het advies is om bewust een legale, diverse en lokaal geschikte zaadvoorraad op te bouwen voordat afhankelijkheid of schaarste daartoe dwingt.
Wacht niet tot water wordt gerantsoeneerd
Niemand weet precies wanneer en waar zoetwaterbeperkingen strenger zullen worden.
Maar wachten op rantsoenering is geen strategie.
Een eigen zaadvoorraad en een goed ontworpen regenwateropvang maken een huishouden niet volledig onafhankelijk. Ze kunnen wel de weerbaarheid vergroten en de druk op drinkwater verminderen.
Daarom luidt het praktische advies van JAS Duurzaam Advies:
Begin klein, maar begin nu.
Bewaar zaden van geschikte, vrij vermeerderbare rassen.
Breng het waterverbruik van de tuin in kaart.
Onderzoek hoeveel regenwater het dak kan leveren.
Plaats waar mogelijk een veilige regenton of opslagtank.
Bereid een grotere constructie zorgvuldig voor en controleer vooraf de plaatselijke regels.
Investeer in druppelirrigatie, bodembedekking en gewassen die passen bij een warmer en droger klimaat.
Zelfvoorziening is geen romantische ontsnapping aan de samenleving. Het is vooruitdenken over de beschikbaarheid van basisbehoeften.
De moestuin bij Rana Cantante is nu slapend. Niet verdwenen.
De grond is er nog. De kennis kan worden opgebouwd. Zaden kunnen worden bewaard. Regen kan worden opgevangen.
Maar de tijd om daarover na te denken is vóórdat het water schaars wordt — niet daarna.
Bronnen en verdere informatie
- UNESCO World Water Development Report 2024 – Statistics
- UN-Water – Water Scarcity
- Europese Commissie – Plant variety property rights
- EU CAP Network – Farm saved seed and applicable rules
- Europese Commissie – Watergebruik en datacenters
- Europese Commissie – Energy performance of data centres
- Regione Piemonte – Regolamento regionale 10/R/2003
The Great Reset, You will Own Nothing..
THE DIGITAL ARCHITECTURE OF CONTROL
Agenda 2030, The Great Reset and the question of how much freedom we will truly retain
Years ago, I heard Klaus Schwab of the World Economic Forum say:
“You’ll own nothing. And you’ll be happy.”
People who asked critical questions about it were dismissed as though they were seeing ghosts. As though The Great Reset did not actually exist. As though no one was working to radically transform our economic and social order.
But The Great Reset does exist. The World Economic Forum officially launched the initiative in 2020. Not as a casual thought experiment, but as a commitment to reshape the foundations of our economic and social system.
The COVID-19 crisis was openly presented as a historic opportunity to accelerate that transformation. That is not a theory. It is stated in the World Economic Forum’s own publications.
And the infrastructure for this new order is now emerging before our eyes.
Not through one law.
Not through one government.
Not under one recognisable name.
But through separate systems, each of which appears reasonable, useful and efficient — until they are connected.
Agenda 2030 and The Great Reset are not the same thing
Agenda 2030 was adopted by all United Nations Member States in 2015. Its seventeen Sustainable Development Goals address issues including poverty, health, education, climate, inequality and strong institutions.
Many of those objectives sound humane and reasonable.
The Great Reset is a separate World Economic Forum initiative. It was presented in 2020 as a transformation of the economy, society and capitalism, supported in part by the technologies of the Fourth Industrial Revolution.
The two should not factually be presented as the same document. But neither do they exist independntly of one another.
In 2019, the United Nations and the World Economic Forum entered into a Strategic Partnership Framework intended to accelerate the implementation of Agenda 2030. Their cooperation included financing, climate, health and digital cooperation.
In 2020, the WEF subsequently organised a Sustainable Development Impact Summit under the title:
“Realizing a Great Reset for Sustainable Development.”
There is therefore a demonstrable institutional and substantive connection.
My concern is not directed at every individual sustainability objective. My concern is the way broadly formulated goals can be translated into measurable standards, digital systems and administrative power.
Who decides what is sustainable?
Who sets the standards?
Who collects the data?
Who assesses our behaviour?
And what happens when access to money, services, transport, healthcare or property becomes conditional upon compliance with those standards?
Power lies not only in the rule, but in the infrastructure
A law can be repealed. A digital infrastructure is far more difficult to reverse.
Once data systems, identity registers, payment networks, tax records and property registers can communicate with one another, a form of power emerges that simply did not exist before.
The state no longer needs to monitor conduct after the event.
The system can determine in advance whether an action is possible.
That, to me, is the real turning point.
From retrospective supervision to prior permission.
From freedom unless something is prohibited, to access only when certain conditions have been met.
From a citizen with rights to a user with a profile.
Digital identity: access — or gateway?
Agenda 2030 includes the objective of providing everyone with a legal identity by 2030, including birth registration.
For people without a birth certificate, nationality or access to public services, this can be an improvement. Legal identity is necessary to exercise legal rights.
But legal identity and digital identity are not the same thing.
The question is what happens when digital identity becomes the necessary gateway to an ever-increasing number of aspects of daily life.
Banking.
Travel.
Public services.
Healthcare.
Education.
Employment.
Housing.
Tax matters.
Digital signatures.
Age verification.
Surveillance.
A digital identity may make life easier. But once nearly all essential services depend upon it, exclusion from that system becomes far-reaching.
The central question is then no longer merely whether a person can identify themselves securely.
It becomes:
Who can restrict, suspend or invalidate that identity — and what can a person still do when that happens?
The digital euro is only one component
The digital euro is also presented as an isolated project.
Safe.
Convenient.
European.
A digital form of public money.
But the digital euro is not being developed in a social vacuum. It is emerging in an environment in which identity, payments and financial data are becoming increasingly digitalised.
Citizens may gain access to central bank money, but probably only up to a limited amount. A maximum holding of approximately €3,000 is frequently discussed, although no definitive amount has yet been established.
Why impose such a limit?
Because commercial banks could experience difficulties if citizens were to transfer their money en masse from bank accounts into safe central bank money.
That is revealing. When banks take risks and collapse, their survival is treated as a matter of public interest.
But when citizens themselves wish to choose safer public money, their access may be restricted in order to protect those same banks.
That is not a neutral technical decision. It is a political choice about who receives access to safety and who is required to continue supporting the existing financial model.
“Not programmable” does not reassure me.
The ECB assures us that the digital eur. will not be programmable money. The government would therefore not be permitted to determine that my money may only be spent on certain products, in certain places or before a particular date.
That is an important assurance.
But the same infrastructure can support conditional payments: payments executed automatically once predetermined conditions have been met.
Technically, a distinction is made between programmable money and programmable payments.
For citizens, however, the crucial questions are who defines those conditions, who controls the data and who can stop a payment.
Legislation can be amended.
Powers can be expanded.
Exceptions can become the rule.
A system used today purely for convenience may tomorrow be employed for enforcement, taxation, sanctions or behavioural control.
I therefore do not look only at what those in power say they intend to do today.
I look at what they are making technically possible.
Cash does not have to be prohibited
Cash may not officially be abolished in 2027.
But, from 2027, however, a general European ceiling of €10,000 will apply to cash payments in commercial transactions. Member States may impose lower limits. Italy currently already applies a limit of €5,000.
A digital euro pilot begins in 2027. An actual introduction is expected at a later date.
At the same time, European legislation is being developed to protect the availability and acceptance of cash.
On paper, therefore, cash will continue to exist.
But cash does not need to be formally abolished in order to lose its function.
Bank branches are disappearing.
Cash machines are disappearing.
Banks impose withdrawal limits.
Larger withdrawals may require prior notice or approval.
Cash transactions are restricted and recorded.
More and more services are offered exclusively online.
Eventually, cash may continue to exist legally while becoming increasingly difficult to obtain and use in practice.
That amounts to a form of abolition without any law ever declaring: “As of today, cash is prohibited.”
Why cash is essential
Cash is more than a means of payment.
It is the last form of money over which citizens can exercise direct control without every transaction requiring a commercial intermediary, digital identity, telephone, internet connection or functioning platform.
A banknote cannot be blocked by a technical failure.
It cannot be switched off remotely.
It does not automatically record who paid whom.
It does not require permission from a bank.
It protects not only privacy, but autonomy and resilience.
Once all money becomes digital, every payment becomes dependent upon a system. Whoever controls access to that system possesses enormous power.
An administrative error, suspicion, sanction, cyberattack or political decision could then immediately exclude someone from economic life.
Not only a serious criminal. You, an innocent citizen too.
Property becomes digitally governable
Meanwhile, financial assets are also being tokenised.
Shares, bonds and other property rights can be converted into digital tokens and registered, traded and settled through new financial infrastructures.
The ECB has developed Pontes for this purpose. Pontes is designed for professional financial markets and enables tokenised financial assets to be settled in central bank money.
Pontes is not the same as the digital euro for citizens.
But both developments form part of the same digitalisation of money and property.
Tokenisation can make transactions faster and less expensive.
But anything registered entirely digitally can also be more easily traced, connected, taxed, blocked or made subject to conditions.
Ownership does not automatically disappear as a result. But the nature of ownership changes.
When access to an asset depends upon a digital register, platform or means of identification, a distinction emerges between legally owning something and actually being able to control or use it.
That distinction may become decisive.
What do I truly own if my access can be disabled remotely?
The citizen becomes transparent; power does not
Citizens are required to provide increasing amounts of data.
Banks must identify customers, monitor transactions and report unusual activity.
Governments are building registers.
Digital identities are being expanded.
Financial assets are becoming digitally traceable.
Companies must submit ever more information concerning sustainability, ownership and economic activity.
Everything must become more transparent, controllable and measurable.
But does the same transparency apply to the organisations shaping this future?
"You Will Own Nothing, But You Will Be Happy"
Who elected the World Economic Forum?
What democratic oversight exists over the influence of closed international policy networks?
What role do major technology companies, financial institutions, consultancy firms and asset managers play in designing rules they may later help to implement?
Who is liable when interconnected systems wrongfully exclude citizens?
Multistakeholder governance sounds inclusive. In reality, governments, multinational corporations, banks, NGOs and experts can use it to shape policy before ordinary citizens or national parliaments fully understand what is being built.
That is not the same as a "secret world government", but it is a demonstrable transfer of power towards international networks that are difficult for citizens to understand, influence or hold accountable.
I do not need to prove every darkest prediction
What prompted this actual article was an online warning of a digital prison, social credit systems, programmable currencies, mandatory digital identities and the loss of privacy and property.
But neither should we have to wait until the darkest scenario has been fully realised before we are permitted to ask questions.
The essential building blocks already exist:
digital identity;
digital payments;
digital central bank money;
tokenisation of financial assets;
large-scale data processing;
automated execution;
international standards;
and ever-deepening cooperation between governments and private organisations.
So, the debate must therefore concern more than the present purpose of each separate system.
It must address the power that emerges when those building blocks are connected.
Who consented to this?
Agenda 2030 was adopted by governments.
The Great Reset was launched by the World Economic Forum.
Central banks are developing digital financial infrastructures.
Technology companies supply the systems. Financial institutions manage access.
But when did European citizens consent to this interconnected transformation of money, identity, property and governance?
We may vote for political parties. Yet the fundamental digital architecture is often developed before genuine public debate has even begun.
By the time citizens are confronted with the consequences, they are told that digitalisation is inevitable, that the technology already exists or that international commitments must be implemented.
A political choice is thereby presented as technological progress.
And once the infrastructure is in place, returning to the previous situation becomes almost impossible.
These questions must be asked now
Will someone still be able to participate fully in society without a digital identity?
Will cash remain available not only legally, but in practice?
Who can block digital money or a digital identity?
Who can see our transactions?
Which data can be connected?
Could tax records, medical information, financial transactions, mobility data and property registers eventually be brought together in a single profile?
Who determines how much public money a citizen may hold?
What legal protection exists when an algorithm, bank or government authority makes a mistake?
Can property still be freely used when it is entirely digitally registered and technically governable?
YOU WILL OWN NOTHING...
Who controls the organisations designing this infrastructure?
These are not questions asked by people who fear technology.
They are questions every free society must answer before implementation.
My objection is not to progress I am not opposed to digitalisation.
I am opposed to a society in which convenience is exchanged for dependency.
I am opposed to a system in which citizens become completely transparent while powerful institutions move ever further beyond their reach.
I am opposed to technology that is first offered as a voluntary option, only to become the sole practical gateway to participation in society.
And I am opposed to building an infrastructure that would enable future authorities to intervene far more deeply than today’s authorities promise they ever will.
Freedom rarely disappears in a single day. It disappears step by step.
With every measure that appears reasonable in isolation. With every new registration. With every connection between data systems. With every restriction said to be aimed only at criminals.
And with every digital facility that is initially voluntary .. Until we discover that, although we may formally retain rights and property, the actual exercise of those rights has become entirely dependent upon one interconnected system.
That is why I do not look only at the individual projects.
I look at the architecture.
Because the most important question is not whether Agenda 2030 contains admirable objectives, whether a digital euro is convenient or whether tokenisation can be efficient.
The most important question is: How much power over identity, money, property and freedom of movement are we prepared to place within a single digital infrastructure — and how will we ever regain that power if it is abused?
That debate must take place now.
Not once the infrastructure has been completed.
Digitale Euro en Controle
DE DIGITALE INFRASTRUCTUUR VAN CONTROLE
Agenda 2030, The Great Reset en de vraag hoeveel vrijheid wij straks nog werkelijk bezitten
Jaren geleden hoorde ik Klaus Schwab van het World Economic Forum zeggen:
“You’ll own nothing. And you’ll be happy.”
Ik heb hem dat niet één keer horen zeggen, maar meerdere keren.
Mensen die daar kritische vragen over stelden, werden weggezet alsof zij spoken zagen. Alsof The Great Reset niet werkelijk bestond. Alsof niemand bezig was onze economische en maatschappelijke orde ingrijpend te veranderen.
Maar The Great Reset bestond wel degelijk.
Het World Economic Forum lanceerde het initiatief in 2020 officieel. Niet als vrijblijvende fantasie, maar als een plan om de fundamenten van ons economische en maatschappelijke stelsel opnieuw vorm te geven.
De coronacrisis werd daarbij openlijk gepresenteerd als een historische gelegenheid om die verandering te versnellen.
Dat is geen theorie. Het staat in de eigen publicaties van het World Economic Forum.
En inmiddels zien wij de infrastructuur voor die nieuwe orde voor onze ogen ontstaan.
Niet in één wet.
Niet door één regering.
Niet onder één herkenbare naam.
Maar in afzonderlijke systemen die ieder redelijk, nuttig en efficiënt lijken — totdat zij met elkaar worden verbonden.
Agenda 2030 en The Great Reset zijn niet hetzelfde
Agenda 2030 werd in 2015 door alle lidstaten van de Verenigde Naties aangenomen. De zeventien Sustainable Development Goals gaan onder meer over armoedebestrijding, gezondheid, onderwijs, klimaat, ongelijkheid en sterke instituties.
Veel van die doelstellingen klinken menselijk en redelijk.
The Great Reset is een afzonderlijk initiatief van het World Economic Forum. Het werd in 2020 gepresenteerd als een hervorming van economie, samenleving en kapitalisme, mede met behulp van de technologie van de Vierde Industriële Revolutie.
De twee mogen feitelijk niet als hetzelfde document worden voorgesteld.
Maar zij staan ook niet los van elkaar.
In 2019 sloten de Verenigde Naties en het World Economic Forum een strategisch partnerschapskader om de uitvoering van Agenda 2030 te versnellen. De samenwerking richtte zich onder meer op financiering, klimaat, gezondheid en digitale samenwerking.
In 2020 organiseerde het WEF vervolgens een Sustainable Development Impact Summit onder de titel:
“Realizing a Great Reset for Sustainable Development.”
Er bestaat dus een aantoonbare bestuurlijke en inhoudelijke verbinding.
Mijn zorg gaat niet over ieder afzonderlijk duurzaamheidsdoel. Mijn zorg gaat over de manier waarop zulke algemeen geformuleerde doelen kunnen worden vertaald in meetbare normen, digitale systemen en bestuurlijke macht.
Wie bepaalt wat duurzaam is?
Wie stelt de normen vast?
Wie verzamelt de gegevens?
Wie beoordeelt ons gedrag?
En wat gebeurt er wanneer toegang tot geld, diensten, vervoer, zorg of bezit afhankelijk wordt gemaakt van naleving van die normen?
De macht zit niet alleen in de regel, maar in de infrastructuur
Een wet kan worden ingetrokken.
Een digitale infrastructuur is veel moeilijker terug te draaien.
Zodra gegevenssystemen, identiteitsregisters, betaalnetwerken, belastingbestanden en bezitsregistraties technisch met elkaar kunnen communiceren, ontstaat een vorm van macht die vroeger eenvoudigweg niet bestond.
De overheid hoeft dan niet langer achteraf te controleren.
Het systeem kan vooraf bepalen of een handeling mogelijk is.
Daar ligt voor mij het werkelijke kantelpunt.
Van toezicht achteraf naar toestemming vooraf.
Van vrijheid, tenzij iets verboden is, naar toegang, wanneer aan de voorwaarden is voldaan.
Van een burger met rechten naar een gebruiker met een profiel.
Digitale identiteit: toegang of toegangspoort?
Agenda 2030 bevat als doelstelling dat iedereen uiterlijk in 2030 een juridische identiteit moet hebben, waaronder geboorteregistratie.
Voor mensen zonder geboorteakte, nationaliteit of toegang tot publieke voorzieningen kan dat een verbetering zijn. Juridische identiteit is immers nodig om rechten te kunnen uitoefenen.
Maar juridische identiteit en digitale identiteit zijn niet hetzelfde.
De vraag is wat er gebeurt wanneer een digitale identiteit de noodzakelijke toegangspoort wordt tot steeds meer onderdelen van het dagelijks leven.
Bankieren.
Reizen.
Overheidsdiensten.
Zorg.
Onderwijs.
Werk.
Wonen.
Belastingzaken.
Digitale handtekeningen.
Leeftijdsverificatie.
Een digitale identiteit kan het leven gemakkelijker maken. Maar zodra vrijwel alle essentiële voorzieningen ervan afhankelijk worden, wordt uitsluiting uit dat systeem ingrijpend.
Dan is de belangrijkste vraag niet meer alleen of iemand zich veilig kan identificeren.
De vraag wordt:
Wie kan die identiteit beperken, opschorten of ongeldig verklaren — en wat kan iemand dan nog?
De digitale euro is maar één onderdeel
Ook de digitale euro wordt als een losstaand project gepresenteerd.
Veilig.
Gemakkelijk.
Europees.
Een digitale vorm van publiek geld.
Maar de digitale euro ontstaat niet in een maatschappelijk vacuüm. Hij wordt ontwikkeld in een omgeving waarin identiteit, betalingen en financiële gegevens steeds verder worden gedigitaliseerd.
Burgers krijgen mogelijk toegang tot centralebankgeld, maar waarschijnlijk slechts tot een beperkt bedrag. Een maximum van ongeveer €3.000 wordt regelmatig genoemd, hoewel het definitieve bedrag nog niet vaststaat.
Waarom die beperking?
Omdat commerciële banken in problemen kunnen komen wanneer burgers hun geld massaal van bankrekeningen naar veilig centralebankgeld verplaatsen.
Dat is veelzeggend.
Wanneer banken risico’s nemen en omvallen, wordt hun voortbestaan als maatschappelijk belang behandeld.
Maar wanneer burgers zelf voor veiliger publiek geld willen kiezen, moet hun toegang mogelijk worden begrensd om diezelfde banken te beschermen.
Dat is geen neutrale technische beslissing.
Het is een politieke keuze over wie toegang krijgt tot veiligheid en wie het bestaande financiële model moet blijven dragen.
“Niet programmeerbaar” stelt mij niet gerust
De ECB verzekert ons dat de digitale euro geen programmeerbaar geld zal worden.
De overheid zou dus niet mogen bepalen dat mijn geld uitsluitend aan bepaalde producten, op bepaalde plaatsen of vóór een bepaalde datum mag worden besteed.
Maar dezelfde infrastructuur kan wel conditionele betalingen mogelijk maken: betalingen die automatisch worden uitgevoerd wanneer aan vooraf vastgestelde voorwaarden wordt voldaan.
Technisch wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen programmeerbaar geld en programmeerbare betalingen.
Voor burgers is vooral van belang wie de voorwaarden formuleert, wie de gegevens controleert en wie de betaling kan tegenhouden.
Wetgeving kan worden gewijzigd.
Bevoegdheden kunnen worden uitgebreid.
Uitzonderingen kunnen de regel worden.
Een systeem dat vandaag uitsluitend voor gemak wordt gebruikt, kan morgen worden ingezet voor handhaving, belastinginning, sancties of gedragssturing.
Ik kijk daarom niet alleen naar wat men vandaag zegt te zullen doen.
Ik kijk naar wat men technisch mogelijk maakt.
Contant geld hoeft niet te worden verboden
In 2027 wordt contant geld niet officieel afgeschaft.
Vanaf 2027 komt er wel een Europese bovengrens van €10.000 voor contante betalingen in het handelsverkeer. Lidstaten mogen lagere grenzen hanteren. Italië kent momenteel al een limiet van €5.000.
Ook kan in 2027 een proef met de digitale euro beginnen. Een eventuele daadwerkelijke invoering wordt pas later verwacht.
Tegelijkertijd wordt gewerkt aan Europese regelgeving die de beschikbaarheid en acceptatie van contant geld juist moet beschermen.
Op papier blijft cash dus bestaan.
Maar contant geld hoeft niet formeel te worden afgeschaft om zijn functie te verliezen.
Bankfilialen verdwijnen.
Geldautomaten verdwijnen.
Banken stellen opnamelimieten vast.
Voor grotere opnamen moet toestemming worden gevraagd of vooraf een afspraak worden gemaakt.
Contante transacties worden beperkt en geregistreerd.
Steeds meer diensten worden uitsluitend digitaal aangeboden.
Uiteindelijk kan cash wettelijk blijven bestaan, terwijl het praktisch steeds moeilijker verkrijgbaar en bruikbaar wordt.
Dat is een vorm van afschaffing zonder dat ooit één wet zegt:
“Contant geld is vanaf vandaag verboden.”
Waarom contant geld essentieel is
Contant geld is niet alleen een betaalmiddel.
Het is de laatste vorm van geld waarover een burger rechtstreeks kan beschikken zonder dat voor iedere betaling een commerciële tussenpersoon, digitale identiteit, telefoon, internetverbinding of werkend platform nodig is.
Een bankbiljet kan niet door een storing worden geblokkeerd.
Het kan niet op afstand worden uitgezet.
Het legt niet automatisch vast wie aan wie heeft betaald.
Het vereist geen toestemming van een bank.
Het beschermt niet alleen privacy, maar ook autonomie en weerbaarheid.
Zodra al het geld digitaal is, wordt iedere betaling afhankelijk van een systeem.
Wie de toegang tot dat systeem controleert, bezit een enorme macht.
Een administratieve fout, verdenking, sanctie, cyberaanval of politieke beslissing kan iemand dan onmiddellijk uitsluiten van het economische verkeer.
Niet alleen een zware crimineel.
Ook een onschuldige burger.
Bezit wordt digitaal bestuurbaar
Ondertussen worden ook financiële bezittingen getokeniseerd.
Aandelen, obligaties en andere vermogensrechten kunnen worden omgezet in digitale tokens die via nieuwe financiële infrastructuren worden geregistreerd, verhandeld en afgewikkeld.
De ECB heeft daarvoor Pontes ontwikkeld. Pontes is bedoeld voor professionele financiële markten en maakt het mogelijk getokeniseerde financiële activa in centralebankgeld af te wikkelen.
Pontes is niet hetzelfde als de digitale euro voor burgers.
Maar beide ontwikkelingen behoren wel tot dezelfde digitalisering van geld en bezit.
Tokenisering kan transacties sneller en goedkoper maken.
Maar wat volledig digitaal wordt geregistreerd, kan ook gemakkelijker worden gevolgd, gekoppeld, belast, geblokkeerd of aan voorwaarden onderworpen.
Eigendom verdwijnt daarmee niet automatisch.
Wel verandert de aard van eigendom.
Wanneer toegang tot een bezit afhankelijk wordt van een digitaal register, platform of identificatiemiddel, ontstaat er een verschil tussen juridisch eigenaar zijn en feitelijk over iets kunnen beschikken.
Dat verschil kan beslissend worden.
Wat bezit ik nog werkelijk wanneer mijn toegang op afstand kan worden uitgeschakeld?
De burger wordt transparant, de macht niet
Burgers moeten steeds meer gegevens verstrekken.
Banken moeten klanten identificeren, transacties volgen en ongebruikelijke activiteiten melden.
Overheden bouwen registers.
Digitale identiteiten worden uitgebreid.
Financiële activa worden digitaal traceerbaar.
Bedrijven moeten steeds meer rapporteren over duurzaamheid, eigendom en economische activiteiten.
Alles moet transparanter, controleerbaarder en meetbaarder worden.
Maar geldt diezelfde transparantie ook voor de organisaties die deze toekomst vormgeven?
Wie heeft het World Economic Forum gekozen?
Welke democratische controle bestaat op de invloed van besloten internationale overlegstructuren?
Welke rol spelen grote technologiebedrijven, financiële instellingen, adviesbureaus en vermogensbeheerders bij het ontwerpen van regels die zij later zelf helpen uitvoeren?
Wie is aansprakelijk wanneer gekoppelde systemen burgers onterecht uitsluiten?
Multistakeholder governance klinkt inclusief. In werkelijkheid kunnen overheden, multinationals, banken, ngo’s en experts er beleid vormgeven voordat een gewone burger of nationaal parlement werkelijk begrijpt wat er wordt gebouwd.
Dat is niet hetzelfde als een geheime wereldregering.
Maar het is wel een aantoonbare verschuiving van macht naar internationale netwerken die voor burgers moeilijk te doorzien, te beïnvloeden en ter verantwoording te roepen zijn.
Ik hoef niet iedere donkerste voorspelling te bewijzen
In de video die aanleiding gaf tot dit artikel wordt gewaarschuwd voor een digitale gevangenis, sociale kredieten, programmeerbaar geld, verplichte digitale identiteiten en verlies van privacy en bezit.
Niet iedere genoemde toekomstige ontwikkeling is op dit moment bewezen beleid.
Dat onderscheid moet eerlijk worden gemaakt.
Maar wij hoeven ook niet te wachten totdat het donkerste scenario volledig is gerealiseerd voordat wij vragen mogen stellen.
De essentiële bouwstenen bestaan inmiddels:
digitale identiteit;
digitale betalingen;
digitaal centralebankgeld;
tokenisering van financiële bezittingen;
grootschalige gegevensverwerking;
automatische uitvoering;
internationale normen;
en steeds verdergaande samenwerking tussen overheden en private partijen.
De discussie moet daarom niet alleen gaan over de huidige bedoeling van ieder afzonderlijk systeem.
Zij moet gaan over de macht die ontstaat zodra deze bouwstenen worden gekoppeld.
Wie heeft hiervoor toestemming gegeven?
Agenda 2030 werd door regeringen aangenomen.
The Great Reset werd door het World Economic Forum gelanceerd.
Centrale banken ontwikkelen digitale financiële infrastructuren.
Technologiebedrijven leveren de systemen.
Financiële instellingen beheren de toegang.
Maar wanneer heeft de Europese burger zich uitgesproken over deze samenhangende verandering van geld, identiteit, bezit en bestuur?
Wij mogen stemmen op politieke partijen.
Maar de fundamentele digitale architectuur wordt vaak ontwikkeld voordat het publieke debat werkelijk op gang komt.
Wanneer burgers uiteindelijk met de gevolgen worden geconfronteerd, luidt het antwoord dat digitalisering onvermijdelijk is, dat de techniek al bestaat of dat internationale afspraken moeten worden uitgevoerd.
Zo wordt een politieke keuze gepresenteerd als technische vooruitgang.
En zodra de infrastructuur er ligt, wordt terugkeren vrijwel onmogelijk.
Dit zijn de vragen die nu moeten worden gesteld
Kan iemand in de toekomst nog volledig aan de samenleving deelnemen zonder digitale identiteit?
Blijft contant geld niet alleen wettelijk, maar ook praktisch beschikbaar?
Wie kan digitaal geld of een digitale identiteit blokkeren?
Wie ziet onze transacties?
Welke gegevens kunnen met elkaar worden verbonden?
Kunnen belastinggegevens, medische informatie, financiële transacties, mobiliteitsgegevens en bezitsregisters ooit in één profiel samenkomen?
Wie bepaalt hoeveel publiek geld een burger mag bezitten?
Welke rechtsbescherming bestaat wanneer een algoritme, bank of overheidsinstantie een fout maakt?
Kan eigendom nog vrij worden gebruikt wanneer het volledig digitaal geregistreerd en technisch bestuurbaar is?
En wie controleert de organisaties die deze infrastructuur ontwerpen?
Dit zijn geen vragen van mensen die bang zijn voor technologie.
Dit zijn vragen die iedere vrije samenleving vóór invoering moet beantwoorden.
Mijn bezwaar is niet vooruitgang
Ik ben niet tegen digitalisering.
Ik ben tegen een samenleving waarin gemak wordt ingeruild voor afhankelijkheid.
Ik ben tegen een systeem waarin de burger volledig transparant wordt, terwijl machtige instellingen steeds verder op afstand komen te staan.
Ik ben tegen technologie die eerst als vrijwillige mogelijkheid wordt aangeboden en later de enige praktische toegangspoort tot het maatschappelijke leven blijkt te zijn.
En ik ben tegen het bouwen van een infrastructuur waarmee toekomstige bestuurders veel verder kunnen ingrijpen dan huidige bestuurders vandaag beloven.
Vrijheid verdwijnt zelden op één dag.
Zij verdwijnt stap voor stap.
Met iedere maatregel die op zichzelf redelijk klinkt.
Met iedere nieuwe registratie.
Met iedere koppeling van gegevens.
Met iedere beperking die alleen tegen criminelen zou worden gebruikt.
Met iedere digitale voorziening die eerst vrijwillig is.
Totdat wij ontdekken dat wij formeel misschien nog rechten en bezit hebben, maar voor de feitelijke uitoefening daarvan volledig afhankelijk zijn geworden van één samenhangend systeem.
Daarom kijk ik niet alleen naar de afzonderlijke projecten.
Ik kijk naar de architectuur.
Want de belangrijkste vraag is niet of Agenda 2030 mooie doelen bevat, of een digitale euro gemakkelijk is, of tokenisering efficiënt kan zijn.
De belangrijkste vraag is:
Hoeveel macht over identiteit, geld, bezit en bewegingsvrijheid zijn wij bereid in één digitale infrastructuur onder te brengen — en hoe krijgen wij die macht ooit terug wanneer zij wordt misbruikt?
Dat gesprek moet nu worden gevoerd.
Niet pas wanneer de infrastructuur voltooid is.